hondenhok
zelfstandig naamwoordBetekenis
- overdekte verblijfplaats voor één (waak)hond
- een klein verblijf van slechte kwaliteit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hondenhokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hondenhokjes | verkleinwoord, meervoud |
| hondenhokken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van hond en hok met het invoegsel -en-
Woordfamilie van hondenhok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hondenhokje | verkleinwoord | hondenhok |
| hondenhokjes | verkleinwoord meervoud | hondenhok |
| hondenhokken | meervoud | hondenhok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hondenhok zijn vastgelegd.