dashond
zelfstandig naamwoord 'dɑshɔntBetekenis
- een hondensoort, klein, met lang lijf en korte poten, die speciaal gefokt wordt voor de jacht op dassen
Hoe spreek je dashond uit?
/ˈdɑshɔnt/
Dashond bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- hondenras, klein, met lang lijf en korte poten, die speciaal gefokt wordt voor de jacht op dassen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dashonden | meervoud |
| dashondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dashondjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1810
Woordfamilie van dashond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dashonden | meervoud | dashond |
| dashondje | verkleinwoord | dashond |
| dashondjes | verkleinwoord meervoud | dashond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dashond zijn vastgelegd.