giegagen
werkwoord /ˈɣiɣaɣə(n)/Betekenis
- het kenmerkende geluid van een ezel maken
Hoe spreek je giegagen uit?
/ˈxixaxən/
Giegagen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| i | riet |
| a | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als gigagen.
Vervoeging van giegagen
giegagenhele werkwoord — giegaagdeverleden tijd enkelvoud — giegaagdenverleden tijd meervoud — gegiegaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | giegaag | giegaagde |
| jij | giegaagt | giegaagde |
| hij, zij, het | giegaagt | giegaagde |
| wij | giegagen | giegaagden |
| jullie | giegagen | giegaagden |
| zij | giegagen | giegaagden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegiegaagd | verleden tijd, deelwoord |
| gegiegaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegiegaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| giegaag | gebiedende wijs |
| giegaagde | verleden tijd |
| giegage | aanvoegende wijs |
| giegagend | onvoltooid, deelwoord |
| gigagen | |
| had gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegiegaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegiegaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegiegaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te giegagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegiegaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen giegagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegiegaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen giegagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegiegaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult giegagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
klanknabootsing
Woordfamilie van giegagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegiegaagd | voltooid deelwoord | giegagen |
| giegaag | gebiedende wijs | giegagen |
| giegaagde | verleden tijd | giegagen |
| giegaagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | giegagen |
| giegaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | giegagen |
| giegage | aanvoegende wijs | giegagen |
| giegagend | onvoltooid deelwoord | giegagen |
| giegagende | woordvorm | giegagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van giegagen zijn vastgelegd.