evangeliseren
werkwoordBetekenis
- het evangelie verkondigen aan of verbreiden onder
Vervoeging van evangeliseren
evangeliserenhele werkwoord — evangeliseerdeverleden tijd enkelvoud — evangeliseerdenverleden tijd meervoud — geëvangeliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | evangeliseer | evangeliseerde |
| jij | evangeliseert | evangeliseerde |
| hij, zij, het | evangeliseert | evangeliseerde |
| wij | evangeliseren | evangeliseerden |
| jullie | evangeliseren | evangeliseerden |
| zij | evangeliseren | evangeliseerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geëvangeliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëvangeliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëvangeliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëvangeliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëvangeliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëvangeliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëvangeliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëvangeliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| evangeliseer | gebiedende wijs |
| evangeliseerde | verleden tijd |
| evangelisere | aanvoegende wijs |
| evangeliserend | onvoltooid, deelwoord |
| geëvangeliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëvangeliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvangeliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëvangeliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvangeliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvangeliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te evangeliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëvangeliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen evangeliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëvangeliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen evangeliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult evangeliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëvangeliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het evangelie verkondigen’ voor het eerst aangetroffen in 1291
Woordfamilie van evangeliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evangeliseer | gebiedende wijs | evangeliseren |
| evangeliseerde | verleden tijd | evangeliseren |
| evangeliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | evangeliseren |
| evangeliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | evangeliseren |
| evangelisere | aanvoegende wijs | evangeliseren |
| evangeliserend | onvoltooid deelwoord | evangeliseren |
| evangeliserende | woordvorm | evangeliseren |
| geëvangeliseerd | voltooid deelwoord | evangeliseren |
| geëvangeliseerde | woordvorm | evangeliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evangeliseren zijn vastgelegd.