bril
zelfstandig naamwoord, werkwoord brɪlBetekenis
- optisch instrument dat gebruikt wordt om het zicht te verbeteren of de ogen te beschermen
- tweetal door een dwarsstreep verbonden ringvormige vlekken op sommige dierenlichamen
- zitting op een wc-pot in de vorm van een ronde rand die omhoog kan worden geklapt
- oog of open steun aan een werktuig
- opening in een seinarm waar een gekleurde ruit in geplaatst kan worden
Hoe spreek je bril uit?
/brɪl/
Bril bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brillen | meervoud |
| brilletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| brilletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
- gebiedende wijs van brillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brillen
Vervoeging van bril
brilhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands bril dat is ontstaan uit "beril", het materiaal waaruit toen lenzen werden geslepen, in de betekenis van ‘glazen om beter te zien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Woordfamilie van bril
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brilletje | verkleinwoord | bril |
| brilletjes | verkleinwoord meervoud | bril |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bril zijn vastgelegd.