bil
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɪlBetekenis
- elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken aan de achterkant bedekken
- auto, automobiel
- auto
Hoe spreek je bil uit?
/bɪl/
Bil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| billen | meervoud |
| billetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| billetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billen
- gebiedende wijs van billen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van billen
Vervoeging van bil
bilhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘achterdeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| billetje | verkleinwoord | bil |
| billetjes | verkleinwoord meervoud | bil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bil zijn vastgelegd.