bacil
zelfstandig naamwoord baˈsɪlBetekenis
- staafvormige bacterie
- ziekteverwekker, pathogeen
Hoe spreek je bacil uit?
/baˈsɪl/
Bacil bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| s | sok |
| ɪ | pit |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor soorten uit de klasse Bacilli die de vorm van een staafje of een komma hebben
- gebruikt als algemene aanduiding voor besmettelijke microbe
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bacillen | meervoud |
| bacilletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bacilletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
vermoedelijk van Frans bacille, dat is gevormd uit Latijn bacillum "staafje" en verwijst naar de vorm van deze bacteriën; in de betekenis van ‘bacterie’ aangetroffen vanaf 1904
Woordfamilie van bacil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bacilletje | verkleinwoord | bacil |
| bacilletjes | verkleinwoord meervoud | bacil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bacil zijn vastgelegd.