kil
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /kɪl/Betekenis
- kreek, smal en diep riviertje, door stromend water diep uitgesleten geul van een rivier of tussen wadden
- een koud gevoel gevend
- zonder het tonen van emoties
Hoe spreek je kil uit?
/kɪl/
Kil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɪ | pit |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| killen | meervoud |
| killetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| killetjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- zonder het tonen van emoties, ijzig [2]
- guur [1], koud (v.h. weer)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van killen
- gebiedende wijs van killen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van killen
Vervoeging van kil
kilhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘koud’ voor het eerst aangetroffen in 1628
Woordfamilie van kil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| killere | woordvorm | kil |
| kils | woordvorm | kil |
| kilst | woordvorm | kil |
| kilste | woordvorm | kil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kil zijn vastgelegd.