april
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɑˈprɪl/Betekenis
- de vierde maand van het jaar
Hoe spreek je april uit?
/ɑˈprɪl/
April bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- vierde maand van het jaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (aprilletje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| apr. | |
| aprillen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aprillen
- gebiedende wijs van aprillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aprillen
Vervoeging van april
aprilhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vierde maand’ voor het eerst aangetroffen in 1240