pil
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɪlBetekenis
- (eigenlijk:) een hoeveelheid werkzame stof met een bindmiddel in een bolletje gedraaid
- (bij uitbreiding:) elke vorm van medicament die in vaste vorm oraal wordt ingenomen zij het tablet, dragee, capsule of iets anders
- bepaald oraal voorbehoedmiddel, anticonceptiepil, ('de pil')
- dik boek
Hoe spreek je pil uit?
/pɪl/
Pil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- hoeveelheid werkzame stof met een bindmiddel in een bolletje gedraaid
- elke vorm van medicament die in vaste vorm oraal wordt ingenomen zij het tablet, dragee, capsule of iets anders
- regelmatig ingenomen tablet die zwangerschap verhindert, bepaald oraal voorbehoedmiddel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pillen | enkelvoud |
| pilletje | verkleinwoord |
| pilletjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gezondheidsofficier of legerarts humorous
- iemand die als arts, farmacoloog of student veel met geneesmiddelen werkt humorous, person
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pillen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pillen
- gebiedende wijs van pillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pillen
Vervoeging van pil
pilhele werkwoord
Herkomst
v / m: via Middelnederlands pille van middeleeuws Latijn pilla, in de betekenis van ‘geneesmiddel’ voor het eerst aangetroffen in 1351 **[3] (verkorting) van anticonceptiepil, leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘anticonceptiepil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1964
Woordfamilie van pil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pilletje | verkleinwoord | pil |
| pilletjes | verkleinwoord | pil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pil zijn vastgelegd.