spil
zelfstandig naamwoord, werkwoord spɪlBetekenis
- een kaapstander
- de as waar iets rond draait
- overdrachtelijk: de persoon die een centrale plaats inneemt
- midhalf, centrale middenvelder
Hoe spreek je spil uit?
/spɪl/
Spil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| l | land |
zelfstandig naamwoord
- / de as waar iets rond draait feminine, masculine
- /, iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt feminine, figuratively, masculine
- hoofdas van een deel van een plant waaromheen weer meer gelijkvormige onderdelen zitten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spillen | meervoud |
| spilletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spilletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spillen
- gebiedende wijs van spillen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spillen
Vervoeging van spil
spilhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pen, as’ voor het eerst aangetroffen in 1163
Woordfamilie van spil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spilletje | verkleinwoord | spil |
| spilletjes | verkleinwoord meervoud | spil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spil zijn vastgelegd.