masker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈmɑskərBetekenis
- een voorwerp geplaatst voor het gelaat dat de indruk wekt van een andere identiteit van de drager
- een voorwerp geplaatst voor het gelaat voor andere redenen, zoals beveiliging of zuurstoftoevoer
Hoe spreek je masker uit?
/ˈmɑskər/
Masker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maskers | meervoud |
| maskertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maskertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
- gebiedende wijs van maskeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
Vervoeging van masker
maskerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mombakkes’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van masker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maskers | meervoud | masker |
| maskertje | verkleinwoord | masker |
| maskertjes | verkleinwoord meervoud | masker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van masker zijn vastgelegd.