grill
zelfstandig naamwoord ɣrɪlBetekenis
- toestel om vlees door stralende warmte te roosteren voorzien van een braadrooster
- roosteren
- overdrachtelijk: iemand onderwerpen aan een grondige ondervraging, doorzagen
- rooster
Hoe spreek je grill uit?
/xrɪl/
Grill bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| l | land |
Klinkt hetzelfde als gril.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grillletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grillletjes | verkleinwoord, meervoud |
| grills | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vleesrooster’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1954
Woordfamilie van grill
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grillletje | verkleinwoord | grill |
| grillletjes | verkleinwoord meervoud | grill |
| grills | meervoud | grill |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grill zijn vastgelegd.