week
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord wekBetekenis
- tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag
- zacht gedeelte, dat meebeweegt als het wordt ingedrukt
- met weinig weerstandsvermogen of veerkracht
- gevoelig voor emoties.
- (tijdseenheid van 7 dagen).
Hoe spreek je week uit?
/wek/
Week bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weekje | verkleinwoord |
| weekjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| weken | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] week | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
- gebiedende wijs van weken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
Vervoeging van week
weekhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] week | canonical |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van wijken
Vervoeging van week
weekhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] week | canonical |
Woordfamilie van week
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weekje | verkleinwoord | week |
| weekjes | verkleinwoord | week |
| weeks | woordvorm | week |
| weekst | woordvorm | week |
| weekste | woordvorm | week |
| weker | woordvorm | week |
| wekere | woordvorm | week |
| wekers | woordvorm | week |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van week zijn vastgelegd.