proefwerkweek
zelfstandig naamwoord ˈprufwerᵊkˌwekBetekenis
- in het lesrooster van middelbare scholen de opeenvolgende schooldagen die zijn bestemd om scholieren opgaven te laten verrichten om hun rapportcijfer te bepalen, meestal aan het eind van een trimester of andere periode waarin onderwijs is gegeven
Hoe spreek je proefwerkweek uit?
/ˈprufwerəkˌwek/
Proefwerkweek bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| u | boek |
| f | fiets |
| w | quiz |
| e | veel |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| proefwerkweekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| proefwerkweekjes | verkleinwoord, meervoud |
| proefwerkweken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van proefwerk zn en week zn
Woordfamilie van proefwerkweek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| proefwerkweekje | verkleinwoord | proefwerkweek |
| proefwerkweekjes | verkleinwoord meervoud | proefwerkweek |
| proefwerkweken | meervoud | proefwerkweek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van proefwerkweek zijn vastgelegd.