weken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwekə(n)Betekenis
- door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
- door langdurig in een vloeistof te liggen zacht, plooibaar of beter wasbaar worden
Hoe spreek je weken uit?
/ˈwekən/
Weken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van weken
wekenhele werkwoord — weekteverleden tijd enkelvoud — weektenverleden tijd meervoud — geweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | week | weekte |
| jij | weekt | weekte |
| hij, zij, het | weekt | weekte |
| wij | weken | weekten |
| jullie | weken | weekten |
| zij | weken | weekten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geweekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geweekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geweekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geweekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geweekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geweekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geweekt | verleden tijd, deelwoord |
| geweekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week | gebiedende wijs |
| weekte | verleden tijd |
| weke | aanvoegende wijs |
| wekend | onvoltooid, deelwoord |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van wijken
Vervoeging van weken
wekenhele werkwoord — weekteverleden tijd enkelvoud — weektenverleden tijd meervoud — geweektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | week | weekte |
| jij | weekt | weekte |
| hij, zij, het | weekt | weekte |
| wij | weken | weekten |
| jullie | weken | weekten |
| zij | weken | weekten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geweekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geweekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geweekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geweekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geweekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geweekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geweekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geweekt | verleden tijd, deelwoord |
| geweekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geweekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| week | gebiedende wijs |
| weekte | verleden tijd |
| weke | aanvoegende wijs |
| wekend | onvoltooid, deelwoord |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geweekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geweekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geweekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geweekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord week
Woordfamilie van weken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geweekt | voltooid deelwoord | weken |
| geweekte | woordvorm | weken |
| weekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weken |
| weekte | verleden tijd | weken |
| weekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weken |
| wekend | onvoltooid deelwoord | weken |
| wekende | woordvorm | weken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weken zijn vastgelegd.