Naar de inhoud

weken

door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken

weken is meer dan één woord

weken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwekə(n)

Betekenis

  1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
  2. door langdurig in een vloeistof te liggen zacht, plooibaar of beter wasbaar worden

Hoe spreek je weken uit?

/ˈwekən/

Weken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van weken

wekenhele werkwoord — weekteverleden tijd enkelvoud — weektenverleden tijd meervoud — geweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week weekte
jij weekt weekte
hij, zij, het weekt weekte
wij weken weekten
jullie weken weekten
zij weken weekten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geweekt verleden tijd, deelwoord
geweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week gebiedende wijs
weekte verleden tijd
weke aanvoegende wijs
wekend onvoltooid, deelwoord
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van wijken

Vervoeging van weken

wekenhele werkwoord — weekteverleden tijd enkelvoud — weektenverleden tijd meervoud — geweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week weekte
jij weekt weekte
hij, zij, het weekt weekte
wij weken weekten
jullie weken weekten
zij weken weekten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geweekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geweekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geweekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geweekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geweekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geweekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geweekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geweekt verleden tijd, deelwoord
geweekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geweekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geweekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geweekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geweekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geweekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
week gebiedende wijs
weekte verleden tijd
weke aanvoegende wijs
wekend onvoltooid, deelwoord
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geweekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geweekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geweekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geweekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geweekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult weken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord week

Woordfamilie van weken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geweekt voltooid deelwoord weken
geweekte woordvorm weken
weekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon weken
weekte verleden tijd weken
weekten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon weken
wekend onvoltooid deelwoord weken
wekende woordvorm weken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over weken

Hoe spreek je weken uit?
De uitspraak van weken is: /ˈwekə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent weken?
Weken is een werkwoord. Het woord betekent: door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je weken?
Je vervoegt weken als volgt: de tegenwoordige tijd is week, de verleden tijd is weekte en het voltooid deelwoord is geweekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op weken?

Er staan 43 woorden in dit woordenboek die op weken rijmen, waaronder deken, uitroepteken en steken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op weken, uitspraak ˈwekən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
deken 2
uitroepteken 4
steken 2
spreken 2
tegenspreken 4
bespreken 3
teken 2
ontsteken 3
kweken 2
aanhalingsteken 5
oversteken 4
letterteken 4
onderbreken 4
verbleken 3
eken 2
openbreken 4
kaïnsteken 3
ereteken 4
shaken 2
wonderteken 4
aangekeken 4
aangestreken 4
azteken 3
bekeken 3
exclamatieteken 6
gekeken 3
hagepreken 4
hielingsteken 4
infotheken 4
jezuïetenstreken 6
keken 2
klemtoonteken 4
onderstrepingsteken 6
oneindigheidsteken 6
ongelijkheidsteken 6
passieweken 4
pornotheken 4
proefwerkweken 5
reisapotheken 5
reken 2
Nog 3 rijmwoorden
spelotheken 4
vaatjesteken 4
veertigurenweken 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord weken is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

weken levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 11 zonder bonus
  7. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

weken telt 5 letters, waarvan 4 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

weken in het kort

weken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van weken zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort weken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

weken: door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
Deel weken — standaardnederlands.nl