wekelijks
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ˈwekələksBetekenis
- een maal per week, elke week terugkerend
- een maal per week, elke week
Hoe spreek je wekelijks uit?
/ˈwekələks/
Wekelijks bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- eenmaal per week, elke week terugkerend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wekelijkse | verbogen, stellende trap |
bijwoord
- eenmaal per week, elke week
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van wekelijk
Herkomst
afgeleid van week met het achtervoegsel -lijks met het invoegsel -e-
Woordfamilie van wekelijks
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wekelijkse | verbogen vorm | wekelijks |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wekelijks zijn vastgelegd.