preek
zelfstandig naamwoord, werkwoord prekBetekenis
- een stichtelijk betoog door een geestelijke in een kerkdienst
- overdrachtelijk: een vermanende toespraak
Hoe spreek je preek uit?
/prek/
Preek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| preekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| preekjes | verkleinwoord, meervoud |
| preken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
- gebiedende wijs van preken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van preken
Vervoeging van preek
preekhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘leerrede’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van preek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| preekje | verkleinwoord | preek |
| preekjes | verkleinwoord meervoud | preek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van preek zijn vastgelegd.