vervallen
werkwoord vərˈvɑlə(n)Betekenis
- in slechte staat geraken
- zijn geldigheid verliezen
Hoe spreek je vervallen uit?
/vərˈvɑlən/
Vervallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitvallen
- ~ aan: eigendom worden van
Vervoeging van vervallen
vervallenhele werkwoord — vervielverleden tijd enkelvoud — vervielenverleden tijd meervoud — vervallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verval | verviel |
| jij | vervalt | verviel |
| hij, zij, het | vervalt | verviel |
| wij | vervallen | vervielen |
| jullie | vervallen | vervielen |
| zij | vervallen | vervielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vervallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn vervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verval | gebiedende wijs |
| vervalle | aanvoegende wijs |
| vervallen | verleden tijd, deelwoord |
| vervallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervallend | onvoltooid, deelwoord |
| verviel | verleden tijd |
| waart vervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vervallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vervallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vervallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vervallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vervallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vervallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vervallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vervallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vervallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afleiding van vallen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van vervallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervalle | aanvoegende wijs | vervallen |
| vervallend | onvoltooid deelwoord | vervallen |
| vervallende | woordvorm | vervallen |
| vervalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervallen |
| verviel | verleden tijd | vervallen |
| vervielen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vervallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervallen zijn vastgelegd.