Naar de inhoud

ontvallen

iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had

ontvallen

werkwoord ɔntˈfɑlə(n)

Betekenis

  1. iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had
  2. verloren gaan, gewoonlijk door te sterven
  3. uit iemands hand vallen in overdrachtelijke, vaak religieuze, zin

Hoe spreek je ontvallen uit?

/ɔntˈfɑlən/

Ontvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈfɑlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
f fiets
ɑ bad
l land
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontvallen

ontvallenhele werkwoord — ontvielverleden tijd enkelvoud — ontvielenverleden tijd meervoud — ontvallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontval ontviel
jij ontvalt ontviel
hij, zij, het ontvalt ontviel
wij ontvallen ontvielen
jullie ontvallen ontvielen
zij ontvallen ontvielen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontval gebiedende wijs
ontvalle aanvoegende wijs
ontvallen verleden tijd, deelwoord
ontvallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontvallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontvallend onvoltooid, deelwoord
ontviel verleden tijd
te ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn ontvallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn ontvallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van ontvallen

Vervoeging van ontvallen

ontvallenhele werkwoord — ontvielverleden tijd enkelvoud — ontvielenverleden tijd meervoud — ontvallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontval ontviel
jij ontvalt ontviel
hij, zij, het ontvalt ontviel
wij ontvallen ontvielen
jullie ontvallen ontvielen
zij ontvallen ontvielen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontval gebiedende wijs
ontvalle aanvoegende wijs
ontvallen verleden tijd, deelwoord
ontvallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontvallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontvallend onvoltooid, deelwoord
ontviel verleden tijd
te ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn ontvallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontvallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontvallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn ontvallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontvallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontvallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen ontvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult ontvallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontvallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van vallen met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontval gebiedende wijs ontvallen
ontvalle aanvoegende wijs ontvallen
ontvallend onvoltooid deelwoord ontvallen
ontvallende woordvorm ontvallen
ontvalt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontvallen
ontviel verleden tijd ontvallen
ontvielen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontvallen

Hoe spreek ik ontvallen uit?
Zo spreek je ontvallen uit: /ɔntˈfɑlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van ontvallen?
Ontvallen is een werkwoord. De betekenis is: iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontvallen?
Zo vervoeg je ontvallen zo: de tegenwoordige tijd is ontval, de verleden tijd is ontviel en het voltooid deelwoord is ontvallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontvallen?

Op ontvallen rijmen 31 woorden, onder andere vallen, bevallen en overvallen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontvallen, uitspraak ɔntˈfɑlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vallen 2
bevallen 3
overvallen 4
lallen 2
knallen 2
gevallen 3
stallen 2
vervallen 3
lastigvallen 4
wallen 2
lotgevallen 4
omvallen 3
kallen 2
rallen 2
versmallen 3
aangevallen 4
aankomsthallen 4
allen 2
beachvolleyballen 5
betrouwbaarheidsintervallen 8
busongevallen 5
inkomhallen 4
kwallen 2
overlijdensgevallen 7
pedestallen 4
schapenstallen 4
twijfelgevallen 5
verdrinkingsongevallen 7
watervallen 4
werkloosheidsvallen 6
zestigtallen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontvallen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontvallen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontvallen in het kort

ontvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontvallen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontvallen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontvallen: iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had
Deel ontvallen — standaardnederlands.nl