ontvallen
werkwoord ɔntˈfɑlə(n)Betekenis
- iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had
- verloren gaan, gewoonlijk door te sterven
- uit iemands hand vallen in overdrachtelijke, vaak religieuze, zin
Hoe spreek je ontvallen uit?
/ɔntˈfɑlən/
Ontvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontvallen
ontvallenhele werkwoord — ontvielverleden tijd enkelvoud — ontvielenverleden tijd meervoud — ontvallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontval | ontviel |
| jij | ontvalt | ontviel |
| hij, zij, het | ontvalt | ontviel |
| wij | ontvallen | ontvielen |
| jullie | ontvallen | ontvielen |
| zij | ontvallen | ontvielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontval | gebiedende wijs |
| ontvalle | aanvoegende wijs |
| ontvallen | verleden tijd, deelwoord |
| ontvallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvallend | onvoltooid, deelwoord |
| ontviel | verleden tijd |
| te ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontvallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontvallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontvallen
Vervoeging van ontvallen
ontvallenhele werkwoord — ontvielverleden tijd enkelvoud — ontvielenverleden tijd meervoud — ontvallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontval | ontviel |
| jij | ontvalt | ontviel |
| hij, zij, het | ontvalt | ontviel |
| wij | ontvallen | ontvielen |
| jullie | ontvallen | ontvielen |
| zij | ontvallen | ontvielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontval | gebiedende wijs |
| ontvalle | aanvoegende wijs |
| ontvallen | verleden tijd, deelwoord |
| ontvallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvallend | onvoltooid, deelwoord |
| ontviel | verleden tijd |
| te ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontvallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontvallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontvallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontvallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontvallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontvallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vallen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontval | gebiedende wijs | ontvallen |
| ontvalle | aanvoegende wijs | ontvallen |
| ontvallend | onvoltooid deelwoord | ontvallen |
| ontvallende | woordvorm | ontvallen |
| ontvalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontvallen |
| ontviel | verleden tijd | ontvallen |
| ontvielen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvallen zijn vastgelegd.