omvallen
werkwoord [ˈʔʊ̞ɱˌvɑlə(n)]Betekenis
- vanuit verticaal staande positie horizontaal komen te liggen
Hoe spreek je omvallen uit?
/ˈʊ̞mˌvɑlən/
Omvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʊ | boek |
| m | maan |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- failliet gaan
Vervoeging van omvallen
omvallenhele werkwoord — viel omverleden tijd enkelvoud — vielen omverleden tijd meervoud — omgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val om | viel om |
| jij | valt om | viel om |
| hij, zij, het | valt om | viel om |
| wij | vallen om | vielen om |
| jullie | vallen om | vielen om |
| zij | vallen om | vielen om |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| omgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| omgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omvallend | onvoltooid, deelwoord |
| omvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omviel | bijzin, verleden tijd |
| omvielen | bijzin, verleden tijd |
| omvielt | bijzin, verleden tijd |
| te zijn omgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val om | gebiedende wijs |
| viel om | verleden tijd |
| waart omgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omvallen om zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omvallen om zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van om bw en vallen ww
Woordfamilie van omvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgevallen | voltooid deelwoord | omvallen |
| omval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omvallen |
| omvalle | with-subordinate-clause | omvallen |
| omvallend | onvoltooid deelwoord | omvallen |
| omvallende | woordvorm | omvallen |
| omvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omvallen |
| omviel | subordinate-clause, verleden tijd | omvallen |
| omvielen | subordinate-clause, verleden tijd | omvallen |
| val om | gebiedende wijs | omvallen |
| valle om | woordvorm | omvallen |
| vallen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omvallen |
| valt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omvallen |
| viel om | verleden tijd | omvallen |
| vielen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omvallen zijn vastgelegd.