lastigvallen
werkwoord ˈlɑstəxˌfɑlə(n)Betekenis
- op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, hinderen, irriteren in iemands concentratie of bezigheden
- op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, obscene of dreigende gebaren te maken (e.d.)
Hoe spreek je lastigvallen uit?
/ˈlɑstəxˌfɑlən/
Lastigvallen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| x | acht |
| f | fiets |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van lastigvallen
lastigvallenhele werkwoord — viel lastigverleden tijd enkelvoud — vielen lastigverleden tijd meervoud — lastiggevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val lastig | viel lastig |
| jij | valt lastig | viel lastig |
| hij, zij, het | valt lastig | viel lastig |
| wij | vallen lastig | vielen lastig |
| jullie | vallen lastig | vielen lastig |
| zij | vallen lastig | vielen lastig |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt lastiggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lastiggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lastiggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lastig te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lastig te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lastig zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| lastig zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| lastig zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| lastig zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| lastig zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lastig zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| lastig zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| lastiggevallen | verleden tijd, deelwoord |
| lastiggevallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lastiggevallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lastigval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lastigvallend | onvoltooid, deelwoord |
| lastigvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lastigviel | bijzin, verleden tijd |
| lastigvielen | bijzin, verleden tijd |
| te hebben lastiggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lastigvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val lastig | gebiedende wijs |
| viel lastig | verleden tijd |
| zal lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal lastigvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zou lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou lastigvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) lastigvallen lastig zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden lastigvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt lastiggevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt lastigvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lastigvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen lastigvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult lastiggevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lastigvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult lastigvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal lastigvallen lastig zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van lastig en vallen
Woordfamilie van lastigvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lastiggevallen | voltooid deelwoord | lastigvallen |
| lastigval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lastigvallen |
| lastigvalle | with-subordinate-clause | lastigvallen |
| lastigvallend | onvoltooid deelwoord | lastigvallen |
| lastigvallende | woordvorm | lastigvallen |
| lastigvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lastigvallen |
| lastigviel | subordinate-clause, verleden tijd | lastigvallen |
| lastigvielen | subordinate-clause, verleden tijd | lastigvallen |
| val lastig | gebiedende wijs | lastigvallen |
| valle lastig | woordvorm | lastigvallen |
| vallen lastig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | lastigvallen |
| valt lastig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lastigvallen |
| viel lastig | verleden tijd | lastigvallen |
| vielen lastig | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lastigvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lastigvallen zijn vastgelegd.