bevallen
werkwoord bəˈvɑlə(n)Betekenis
- iets als aangenaam ervaren
- het leven schenken aan een kind
Hoe spreek je bevallen uit?
/bəˈvɑlən/
Bevallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevallen
bevallenhele werkwoord — bevielverleden tijd enkelvoud — bevielenverleden tijd meervoud — bevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beval | beviel |
| jij | bevalt | beviel |
| hij, zij, het | bevalt | beviel |
| wij | bevallen | bevielen |
| jullie | bevallen | bevielen |
| zij | bevallen | bevielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beval | gebiedende wijs |
| bevalle | aanvoegende wijs |
| bevallen | verleden tijd, deelwoord |
| bevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevallend | onvoltooid, deelwoord |
| beviel | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn bevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van bevallen
Vervoeging van bevallen
bevallenhele werkwoord — bevielverleden tijd enkelvoud — bevielenverleden tijd meervoud — bevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beval | beviel |
| jij | bevalt | beviel |
| hij, zij, het | bevalt | beviel |
| wij | bevallen | bevielen |
| jullie | bevallen | bevielen |
| zij | bevallen | bevielen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beval | gebiedende wijs |
| bevalle | aanvoegende wijs |
| bevallen | verleden tijd, deelwoord |
| bevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevallend | onvoltooid, deelwoord |
| beviel | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn bevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bevallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘behagen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van bevallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevalle | aanvoegende wijs | bevallen |
| bevallend | onvoltooid deelwoord | bevallen |
| bevallende | woordvorm | bevallen |
| bevalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevallen |
| beviel | verleden tijd | bevallen |
| bevielen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bevallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevallen zijn vastgelegd.