kallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈkɑlə(n)/Betekenis
- spreken, praten
Hoe spreek je kallen uit?
/ˈkɑlən/
Kallen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kallen
kallenhele werkwoord — kaldeverleden tijd enkelvoud — kaldenverleden tijd meervoud — gekaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kal | kalde |
| jij | kalt | kalde |
| hij, zij, het | kalt | kalde |
| wij | kallen | kalden |
| jullie | kallen | kalden |
| zij | kallen | kalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekald | verleden tijd, deelwoord |
| gekald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kal | gebiedende wijs |
| kalde | verleden tijd |
| kalle | aanvoegende wijs |
| kallend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kalle
Herkomst
kalle met de uitgang -en
Woordfamilie van kallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekald | voltooid deelwoord | kallen |
| kalde | verleden tijd | kallen |
| kalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kallen |
| kallend | onvoltooid deelwoord | kallen |
| kallende | woordvorm | kallen |
| kalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kallen zijn vastgelegd.