wallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwɑlə(n)Betekenis
- een wal opwerpen
- (van een stuk land) de sloten eromheen schoonmaken door slib en waterplanten langs de kant op de oever te halen
- omhoog borrelen
Hoe spreek je wallen uit?
/ˈwɑlən/
Wallen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wallen
wallenhele werkwoord — waldeverleden tijd enkelvoud — waldenverleden tijd meervoud — gewaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wal | walde |
| jij | walt | walde |
| hij, zij, het | walt | walde |
| wij | wallen | walden |
| jullie | wallen | walden |
| zij | wallen | walden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewald | verleden tijd, deelwoord |
| gewald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wal | gebiedende wijs |
| walde | verleden tijd |
| walle | aanvoegende wijs |
| wallend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wal
Herkomst
[werkwoord 1] van Middelnederlands, op te vatten als afgeleid van wal met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van wallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewald | voltooid deelwoord | wallen |
| gewalde | woordvorm | wallen |
| walde | verleden tijd | wallen |
| walden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wallen |
| walle | aanvoegende wijs | wallen |
| wallend | onvoltooid deelwoord | wallen |
| wallende | woordvorm | wallen |
| walt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wallen zijn vastgelegd.