Naar de inhoud

gevallen

gebeuren

gevallen is meer dan één woord

gevallen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ɣəˈvɑlə(n)

Betekenis

  1. gebeuren
  2. bevallen

Hoe spreek je gevallen uit?

/xəˈvɑlən/

Gevallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /xəˈvɑlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
x acht
ə de
v vis
ɑ bad
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van gevallen

gevallenhele werkwoord — gevielverleden tijd enkelvoud — gevielenverleden tijd meervoud — gevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik geval geviel
jij gevalt geviel
hij, zij, het gevalt geviel
wij gevallen gevielen
jullie gevallen gevielen
zij gevallen gevielen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[A] gevallen canonical
ev. gebiedende wijs
geval gebiedende wijs
gevalle aanvoegende wijs
gevallen verleden tijd, deelwoord
gevallen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevallen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevallend onvoltooid, deelwoord
geviel verleden tijd
had gevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gevallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen gevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van vallen

Vervoeging van gevallen

gevallenhele werkwoord — gevielverleden tijd enkelvoud — gevielenverleden tijd meervoud — gevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik geval geviel
jij gevalt geviel
hij, zij, het gevalt geviel
wij gevallen gevielen
jullie gevallen gevielen
zij gevallen gevielen
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[B] gevallen canonical
ev. gebiedende wijs
geval gebiedende wijs
gevalle aanvoegende wijs
gevallen verleden tijd, deelwoord
gevallen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevallen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevallend onvoltooid, deelwoord
geviel verleden tijd
had gevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te gevallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt gevallen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen gevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult gevallen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord geval

Woordfamilie van gevallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevallend onvoltooid deelwoord gevallen
gevallende woordvorm gevallen
gevalt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gevallen
geviel verleden tijd gevallen
gevielen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gevallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gevallen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over gevallen

Hoe spreek ik gevallen uit?
Zo spreek je gevallen uit: /ɣəˈvɑlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van gevallen?
Gevallen is een werkwoord. De betekenis is: gebeuren. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik gevallen?
Zo vervoeg je gevallen zo: de tegenwoordige tijd is geval, de verleden tijd is geviel en het voltooid deelwoord is gevallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op gevallen?

Gevallen rijmt op 31 woorden op -allen; vallen, bevallen en overvallen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op gevallen, uitspraak xəˈvɑlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vallen 2
bevallen 3
overvallen 4
lallen 2
knallen 2
stallen 2
ontvallen 3
vervallen 3
lastigvallen 4
wallen 2
lotgevallen 4
omvallen 3
kallen 2
rallen 2
versmallen 3
aangevallen 4
aankomsthallen 4
allen 2
beachvolleyballen 5
betrouwbaarheidsintervallen 8
busongevallen 5
inkomhallen 4
kwallen 2
overlijdensgevallen 7
pedestallen 4
schapenstallen 4
twijfelgevallen 5
verdrinkingsongevallen 7
watervallen 4
werkloosheidsvallen 6
zestigtallen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gevallen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gevallen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. V 4
  4. A 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gevallen in het kort

gevallen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van gevallen staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gevallen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gevallen: gebeuren
Deel gevallen — standaardnederlands.nl