vervalen
werkwoordBetekenis
- valer worden, kleur verliezen
Vervoeging van vervalen
vervalenhele werkwoord — vervaaldeverleden tijd enkelvoud — vervaaldenverleden tijd meervoud — vervaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervaal | vervaalde |
| jij | vervaalt | vervaalde |
| hij, zij, het | vervaalt | vervaalde |
| wij | vervalen | vervaalden |
| jullie | vervalen | vervaalden |
| zij | vervalen | vervaalden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vervalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn vervaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervaal | gebiedende wijs |
| vervaald | verleden tijd, deelwoord |
| vervaald te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervaald zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervaalde | verleden tijd |
| vervale | aanvoegende wijs |
| vervalend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vervaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vervaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vervaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vervaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vervaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vervaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vervaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vervaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vervaald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vervaald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervalen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van vaal met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vervalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervaal | gebiedende wijs | vervalen |
| vervaald | voltooid deelwoord | vervalen |
| vervaalde | verleden tijd | vervalen |
| vervaalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vervalen |
| vervaalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vervalen |
| vervale | aanvoegende wijs | vervalen |
| vervalend | onvoltooid deelwoord | vervalen |
| vervalende | woordvorm | vervalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervalen zijn vastgelegd.