penseel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een gereedschap om verf aan te brengen dat bestaat uit een steel waarop zacht en soepel haar is bevestigd
zelfstandig naamwoord — neuter
- een stuk gereedschap om verf aan te brengen dat bestaat uit een steel waarop zacht en soepel haar is bevestigd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| penseeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| penseeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| penselen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van penselen
- gebiedende wijs van penselen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van penselen
Vervoeging van penseel
penseelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kwastje’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van penseel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| penseeltjes | verkleinwoord meervoud | penseel |
| penselen | meervoud | penseel |
| gepenseeld | woordvorm | penselen |
| gepenseelde | woordvorm | penselen |
| penseelde | woordvorm | penselen |
| penseelden | woordvorm | penselen |
| penseelt | woordvorm | penselen |
| pensele | woordvorm | penselen |
| penselend | woordvorm | penselen |
| penselende | woordvorm | penselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van penseel zijn vastgelegd.