ham
zelfstandig naamwoord /ɦɑm/Betekenis
- het vlees van de achterkant van een varken o.a. geschikt als beleg voor de boterham
- een dikke dij van een mens
- hem (mannelijke vorm, deerde persoon enkelvoud, datief en accusatief)
- hem (mannelijke vorm, deerde persoon enkelvoud, datief en accusatief, van personen)
- de arend van een zeis
Hoe spreek je ham uit?
/hɑm/
Ham bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vlees van de achterkant van een varken, gebruikt als onderdeel van gerechten of als broodbeleg
- vlezige achterkant van het bovenbeen obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hammen | meervoud |
| hammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hammetjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- hoek aangeslibd land
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hammen | meervoud |
Herkomst
v/m [1], [2]: van Middelnederlands hamme "knieholte, achterbeen, bil"
Woordfamilie van ham
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hammen | meervoud | ham |
| hammetje | verkleinwoord | ham |
| hammetjes | verkleinwoord meervoud | ham |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ham zijn vastgelegd.