stamboom
zelfstandig naamwoord /'stɑmbom/Betekenis
- boom van een geslacht, d.i. het geslacht vergeleken bij een boom, waarvan de stam zich telkens meer vertakt
- tekening die een boom voorstelt, en waarin de leden van een geslacht in hun verschillende graden van verwantschap worden vermeld
- boom met rechtopgaande stam
Hoe spreek je stamboom uit?
/ˈstɑmbom/
Stamboom bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stambomen | meervoud |
| stamboompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stamboompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van stam en boom
Woordfamilie van stamboom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stambomen | meervoud | stamboom |
| stamboompje | verkleinwoord | stamboom |
| stamboompjes | verkleinwoord meervoud | stamboom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stamboom zijn vastgelegd.