dam
werkwoord, zelfstandig naamwoord dɑmBetekenis
- het symbool voor decameter, een lengte van 10 meter of 0,01 kilometer
- een relatief smalle, massieve bodemophoging in een waterweg om wegverkeer tussen de oevers mogelijk te maken en/of ter bescherming tegen overstromingen
- een vaste waterkering, aangelegd voor de waterbeheersing en doorgaans voorzien van regelbare doorlaatopeningen of sluizen
- (bij het damspel) twee gestapelde schijven.
- dam (een scheiding tussen twee wateren: zee, stuwmeer, rivier etc.)
Hoe spreek je dam uit?
/dɑm/
Dam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| m | maan |
Klinkt hetzelfde als strekdam.
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
- gebiedende wijs van dammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
Vervoeging van dam
damhele werkwoord
Alle 4 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] dam | canonical |
| dammen | enkelvoud |
| dammetje | verkleinwoord |
| dammetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- twee gestapelde schijven
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
- gebiedende wijs van dammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dammen
Vervoeging van dam
damhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] dam | canonical |
Herkomst
(waterbeheer) relatief smalle, massieve bodemophoging in een waterweg om wegverkeer tussen de oevers mogelijk te maken en/of ter bescherming tegen overstromingen
Woordfamilie van dam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dammetje | verkleinwoord | dam |
| dammetjes | verkleinwoord | dam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dam zijn vastgelegd.