kam
zelfstandig naamwoord, werkwoord /kɑm/Betekenis
- getand object om haren mee te verzorgen
- lichaamsdeel van een vogel, reptiel of ander dier, bijv. hanenkam
- onderdeel van een snaarinstrument waarover de snaren strak gespannen worden, met het doel de trillingen op het resonantielichaam over te brengen
- rij getande objecten, bijv. bergkam
- steen, kei
- aan/voor wie, wat, welke, waaraan, waarvoor ()
- waar, waarheen
- waarheen, waar naar toe
- steen
Hoe spreek je kam uit?
/kɑm/
Kam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- onderdeel van een snaarinstrument waarover de snaren strak gespannen worden, met het doel de onderlinge afstand te bewaren of de trillingen op het resonantielichaam over te brengen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kammen | meervoud |
| kammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kammetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
- gebiedende wijs van kammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
Vervoeging van kam
kamhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gereedschap om haar te ontwarren of bijeen te houden’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van kam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kammetje | verkleinwoord | kam |
| kammetjes | verkleinwoord meervoud | kam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kam zijn vastgelegd.