wam
zelfstandig naamwoord, werkwoord wɑmBetekenis
- een huidplooi die afhangt van de hals van een rund of een ander dier
- een opengesneden buik van een vis
- een soort duif; een duikvluchtduif
Hoe spreek je wam uit?
/wɑm/
Wam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- / een huidplooi die afhangt van de hals van een rund of een ander dier feminine, masculine
- / een opengesneden buik van een vis feminine, masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wammen | meervoud |
| wammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wammetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wammen
- gebiedende wijs van wammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wammen
Vervoeging van wam
wamhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Woordfamilie van wam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wammetje | verkleinwoord | wam |
| wammetjes | verkleinwoord meervoud | wam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wam zijn vastgelegd.