kram
zelfstandig naamwoord, werkwoord krɑmBetekenis
- U-vormig gebogen bevestigingsmiddel met spitse punten
- (Nederland) wondhaakje, hechting
Hoe spreek je kram uit?
/krɑm/
Kram bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- wondhaakje, hechting
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krammen | meervoud |
| krammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krammetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krammen
- gebiedende wijs van krammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krammen
Vervoeging van kram
kramhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kram, haak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1367.
Woordfamilie van kram
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krammetje | verkleinwoord | kram |
| krammetjes | verkleinwoord meervoud | kram |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kram zijn vastgelegd.