spreken
werkwoord /ˈspreːkə(n)/Betekenis
- zich met behulp van de stem uiten
- zich met behulp van de stem kunnen uiten in een bepaald taal
- ~ over een bepaald onderwerp aansnijden
Hoe spreek je spreken uit?
/ˈsprekən/
Spreken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spreken
sprekenhele werkwoord — sprakverleden tijd enkelvoud — sprakenverleden tijd meervoud — gesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek | sprak |
| jij | spreekt | spraakt |
| hij, zij, het | spreekt | sprak |
| wij | spreken | spraken |
| jullie | spreken | spraken |
| zij | spreken | spraken |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesproken | verleden tijd, deelwoord |
| gesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak | verleden tijd |
| spreek | gebiedende wijs |
| spreke | aanvoegende wijs |
| sprekend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘praten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van spreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesproken | voltooid deelwoord | spreken |
| spraakt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | spreken |
| sprak | verleden tijd | spreken |
| spreek | gebiedende wijs | spreken |
| spreekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spreken |
| spreke | aanvoegende wijs | spreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spreken zijn vastgelegd.