openbreken
werkwoord ˈopə(n)ˌbrekə(n)Betekenis
- al brekend opengaan
- door breken met geweld openmaken
- voortijdig wijzigingen aanbrengen in
Hoe spreek je openbreken uit?
/ˈopənˌbrekən/
Openbreken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| b | bak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van openbreken
openbrekenhele werkwoord — brak openverleden tijd enkelvoud — braken openverleden tijd meervoud — opengebrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek open | brak open |
| jij | breekt open | braakt open |
| hij, zij, het | breekt open | brak open |
| wij | breken open | braken open |
| jullie | breken open | braken open |
| zij | breken open | braken open |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brak open | verleden tijd |
| breek open | gebiedende wijs |
| er is opengebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opengebroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opengebroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opengebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opengebroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opengebroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opengebroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opengebroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| open zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| open zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| openbraakt | bijzin, verleden tijd |
| openbrak | bijzin, verleden tijd |
| openbraken | bijzin, verleden tijd |
| openbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| opengebroken | verleden tijd, deelwoord |
| opengebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengebroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengebroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opengebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opengebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opengebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opengebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opengebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal openbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opengebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou openbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) openbreken open zou(dt) breken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden openbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt openbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengebroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen openbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen openbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen openbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengebroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opengebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van open bw en breken ww
Woordfamilie van openbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brak open | verleden tijd | openbreken |
| braken open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openbreken |
| breek open | gebiedende wijs | openbreken |
| breekt open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openbreken |
| breke open | woordvorm | openbreken |
| breken open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | openbreken |
| openbrak | subordinate-clause, verleden tijd | openbreken |
| openbraken | subordinate-clause, verleden tijd | openbreken |
| openbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openbreken |
| openbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openbreken |
| openbreke | with-subordinate-clause | openbreken |
| openbrekend | onvoltooid deelwoord | openbreken |
| openbrekende | woordvorm | openbreken |
| opengebroken | voltooid deelwoord | openbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openbreken zijn vastgelegd.