verbleken
werkwoord vərˈblekə(n)Betekenis
- alle kleur verliezen
Hoe spreek je verbleken uit?
/vərˈblekən/
Verbleken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| l | land |
| e | veel |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verbleken
verblekenhele werkwoord — verbleekteverleden tijd enkelvoud — verbleektenverleden tijd meervoud — verbleektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbleek | verbleekte |
| jij | verbleekt | verbleekte |
| hij, zij, het | verbleekt | verbleekte |
| wij | verbleken | verbleekten |
| jullie | verbleken | verbleekten |
| zij | verbleken | verbleekten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verbleken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verbleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbleek | gebiedende wijs |
| verbleekt | verleden tijd, deelwoord |
| verbleekt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbleekt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbleekte | verleden tijd |
| verbleke | aanvoegende wijs |
| verblekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verbleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbleekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbleekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbleekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verbleekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbleekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbleekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbleken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verbleekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbleken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bleek met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verbleken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbleek | gebiedende wijs | verbleken |
| verbleekt | voltooid deelwoord | verbleken |
| verbleekte | verleden tijd | verbleken |
| verbleekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbleken |
| verbleke | aanvoegende wijs | verbleken |
| verblekend | onvoltooid deelwoord | verbleken |
| verblekende | woordvorm | verbleken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbleken zijn vastgelegd.