bespreken
werkwoord bəˈsprekə(n)Betekenis
- een gesprek over een bepaald onderwerp voeren; overleggen
- beoordelen, recenseren
- vooruit bestellen
Hoe spreek je bespreken uit?
/bəˈsprekən/
Bespreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bespreken
besprekenhele werkwoord — besprakverleden tijd enkelvoud — besprakenverleden tijd meervoud — besprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bespreek | besprak |
| jij | bespreekt | bespraakt |
| hij, zij, het | bespreekt | besprak |
| wij | bespreken | bespraken |
| jullie | bespreken | bespraken |
| zij | bespreken | bespraken |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| besprak | verleden tijd |
| bespreek | gebiedende wijs |
| bespreke | aanvoegende wijs |
| besprekend | onvoltooid, deelwoord |
| besproken | verleden tijd, deelwoord |
| besproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| besproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| besproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| besproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is besproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was besproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd besproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt besproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal besproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal besproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou besproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou besproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had besproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had besproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden besproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden besproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bespreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben besproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bespreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren besproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was besproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was besproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was besproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt besproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt besproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt besproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt besproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt besproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bespreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bespreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult besproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult besproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘praten over iets’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van bespreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| besprak | verleden tijd | bespreken |
| bespraken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bespreken |
| bespreek | gebiedende wijs | bespreken |
| bespreekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bespreken |
| bespreke | aanvoegende wijs | bespreken |
| besprekend | onvoltooid deelwoord | bespreken |
| besprekende | woordvorm | bespreken |
| besproken | voltooid deelwoord | bespreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bespreken zijn vastgelegd.