oversteken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈovərˌstekə(n)Betekenis
- aan de overzijde van iets geraken
Hoe spreek je oversteken uit?
/ˈovərˌstekən/
Oversteken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- doorkruisen om de overzijde te bereiken transitive
Vervoeging van oversteken
overstekenhele werkwoord — stak oververleden tijd enkelvoud — staken oververleden tijd meervoud — overgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek over | stak over |
| jij | steekt over | staakt over |
| hij, zij, het | steekt over | stak over |
| wij | steken over | staken over |
| jullie | steken over | staken over |
| zij | steken over | staken over |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| over zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| over zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| overgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| overgestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overstaakt | bijzin, verleden tijd |
| overstak | bijzin, verleden tijd |
| overstaken | bijzin, verleden tijd |
| oversteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oversteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overstekend | onvoltooid, deelwoord |
| stak over | verleden tijd |
| steek over | gebiedende wijs |
| te hebben overgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oversteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oversteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oversteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oversteken over zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oversteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oversteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oversteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oversteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oversteken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oversteek
Herkomst
samenstelling van over en steken
Woordfamilie van oversteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgestoken | voltooid deelwoord | oversteken |
| overstak | subordinate-clause, verleden tijd | oversteken |
| overstaken | subordinate-clause, verleden tijd | oversteken |
| oversteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oversteken |
| oversteke | with-subordinate-clause | oversteken |
| stak over | verleden tijd | oversteken |
| staken over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oversteken |
| steek over | gebiedende wijs | oversteken |
| steekt over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oversteken |
| steke over | woordvorm | oversteken |
| steken over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oversteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oversteken zijn vastgelegd.