Naar de inhoud

tegenspreken

zich met woorden verzetten

tegenspreken

werkwoord ˈteɣə(n)ˌsprekə(n)

Betekenis

  1. zich met woorden verzetten

Hoe spreek je tegenspreken uit?

/ˈtexənˌsprekən/

Tegenspreken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtexənˌsprekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
e veel
x acht
ə de
n nek
s sok
p pak
r rood
k kat
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van tegenspreken

tegensprekenhele werkwoord — sprak tegenverleden tijd enkelvoud — spraken tegenverleden tijd meervoud — tegengesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spreek tegen sprak tegen
jij spreekt tegen spraakt tegen
hij, zij, het spreekt tegen sprak tegen
wij spreken tegen spraken tegen
jullie spreken tegen spraken tegen
zij spreken tegen spraken tegen
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is tegengesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was tegengesproken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd tegengesproken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt tegengesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal tegengesproken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal tegengesproken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou tegengesproken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou tegengesproken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had tegengesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tegengesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tegengesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tegengesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprak tegen verleden tijd
spreek tegen gebiedende wijs
te hebben tegengesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tegenspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen te spreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegen te zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen zal spreken bijzin, toekomende tijd
tegen zou spreken bijzin, voorwaardelijk
tegen zouden spreken bijzin, voorwaardelijk
tegen zoudt spreken bijzin, voorwaardelijk
tegen zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegen zullen spreken bijzin, toekomende tijd
tegen zult spreken bijzin, toekomende tijd
tegengesproken verleden tijd, deelwoord
tegengesproken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegengesproken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegengesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengesproken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengesproken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengesproken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tegengesproken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
tegengesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegengesproken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegengesproken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegenspraakt bijzin, verleden tijd
tegensprak bijzin, verleden tijd
tegenspraken bijzin, verleden tijd
tegenspreek bijzin, tegenwoordige tijd
tegenspreekt bijzin, tegenwoordige tijd
tegensprekend onvoltooid, deelwoord
waart tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tegengesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren tegengesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was tegengesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was tegengesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was tegengesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt tegengesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal tegengesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tegenspreken bijzin, toekomende tijd
zijn tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt tegengesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tegenspreken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tegenspreken tegen zou(dt) spreken bijzin, voorwaardelijk
zouden tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tegenspreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt tegengesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegengesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tegenspreken bijzin, voorwaardelijk
zullen tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegengesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegengesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengesproken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegenspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegenspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tegenspreken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tegen en spreken

Woordfamilie van tegenspreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spraakt tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon tegenspreken
sprak tegen verleden tijd tegenspreken
spraken tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tegenspreken
spreek tegen gebiedende wijs tegenspreken
spreekt tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tegenspreken
spreke tegen woordvorm tegenspreken
spreken tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tegenspreken
tegengesproken voltooid deelwoord tegenspreken
tegensprak subordinate-clause, verleden tijd tegenspreken
tegenspraken subordinate-clause, verleden tijd tegenspreken
tegenspreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenspreken
tegenspreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenspreken
tegenspreke with-subordinate-clause tegenspreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenspreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over tegenspreken

Hoe spreek je tegenspreken uit?
De uitspraak van tegenspreken is: /ˈteɣə(n)ˌsprekə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent tegenspreken?
Tegenspreken is een werkwoord. Het woord betekent: zich met woorden verzetten.
Hoe vervoeg je tegenspreken?
Je vervoegt tegenspreken als volgt: het voltooid deelwoord is tegengesproken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op tegenspreken?

In dit woordenboek rijmen 43 woorden op -eken op tegenspreken, zoals deken, uitroepteken en steken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op tegenspreken, uitspraak ˈtexənˌsprekən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
deken 2
uitroepteken 4
steken 2
spreken 2
bespreken 3
teken 2
ontsteken 3
weken 2
kweken 2
aanhalingsteken 5
oversteken 4
letterteken 4
onderbreken 4
verbleken 3
eken 2
openbreken 4
kaïnsteken 3
ereteken 4
shaken 2
wonderteken 4
aangekeken 4
aangestreken 4
azteken 3
bekeken 3
exclamatieteken 6
gekeken 3
hagepreken 4
hielingsteken 4
infotheken 4
jezuïetenstreken 6
keken 2
klemtoonteken 4
onderstrepingsteken 6
oneindigheidsteken 6
ongelijkheidsteken 6
passieweken 4
pornotheken 4
proefwerkweken 5
reisapotheken 5
reken 2
Nog 3 rijmwoorden
spelotheken 4
vaatjesteken 4
veertigurenweken 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tegenspreken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. R 2
  9. E 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tegenspreken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. R 2
  9. E 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tegenspreken in het kort

tegenspreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tegenspreken zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort tegenspreken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

tegenspreken: zich met woorden verzetten
Deel tegenspreken — standaardnederlands.nl