spillen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- besteden
- verspillen
Vervoeging van spillen
spillenhele werkwoord — spildeverleden tijd enkelvoud — spildenverleden tijd meervoud — gespildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spil | spilde |
| jij | spilt | spilde |
| hij, zij, het | spilt | spilde |
| wij | spillen | spilden |
| jullie | spillen | spilden |
| zij | spillen | spilden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespild | verleden tijd, deelwoord |
| gespild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spil | gebiedende wijs |
| spilde | verleden tijd |
| spille | aanvoegende wijs |
| spillend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spillen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spil
Herkomst
In de betekenis van ‘nutteloos besteden’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van spillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespild | voltooid deelwoord | spillen |
| spilde | verleden tijd | spillen |
| spilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spillen |
| spille | aanvoegende wijs | spillen |
| spillend | onvoltooid deelwoord | spillen |
| spillende | woordvorm | spillen |
| spilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spillen zijn vastgelegd.