Naar de inhoud

snoeren

iets met een snoer vastmaken

snoeren is meer dan één woord

snoeren

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsnurə(n)

Betekenis

  1. iets met een snoer vastmaken

Hoe spreek je snoeren uit?

/ˈsnurən/

Snoeren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsnurən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
n nek
u boek
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van snoeren

snoerenhele werkwoord — snoerdeverleden tijd enkelvoud — snoerdenverleden tijd meervoud — gesnoerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snoer snoerde
jij snoert snoerde
hij, zij, het snoert snoerde
wij snoeren snoerden
jullie snoeren snoerden
zij snoeren snoerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesnoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesnoerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesnoerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesnoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesnoerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesnoerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesnoerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesnoerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesnoerd verleden tijd, deelwoord
gesnoerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesnoerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesnoerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesnoerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesnoerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesnoerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesnoerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesnoerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesnoerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesnoerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesnoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
snoer gebiedende wijs
snoerde verleden tijd
snoere aanvoegende wijs
snoerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesnoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te snoeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen snoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt snoeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen snoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult snoeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord snoer

Herkomst

afgeleid van snoer met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van snoeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesnoerd voltooid deelwoord snoeren
gesnoerde woordvorm snoeren
snoerde verleden tijd snoeren
snoerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon snoeren
snoere aanvoegende wijs snoeren
snoerend onvoltooid deelwoord snoeren
snoerende woordvorm snoeren
snoert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon snoeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snoeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over snoeren

Hoe spreek ik snoeren uit?
Zo spreek je snoeren uit: /ˈsnurə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van snoeren?
Snoeren is een werkwoord. De betekenis is: iets met een snoer vastmaken.
Hoe vervoeg ik snoeren?
Zo vervoeg je snoeren zo: de tegenwoordige tijd is snoer, de verleden tijd is snoerde en het voltooid deelwoord is gesnoerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op snoeren?

In dit woordenboek rijmen 22 woorden op -oeren op snoeren, zoals voeren, ontvoeren en verroeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op snoeren, uitspraak ˈsnurən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
voeren 2
ontvoeren 3
verroeren 3
boeren 2
koekeloeren 4
koeren 2
loeren 2
poeren 2
autoboeren 4
badkamervloeren 5
campagnevoeren 5
chocoladehoeren 6
deeltijdboeren 4
lorrenboeren 4
moffenhoeren 4
mosselhoeren 4
noppeshoeren 4
sloeren 2
vloeren 2
wedervoeren 4
witlofboeren 4
witloofboeren 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord snoeren is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. N 1
  3. O 1
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

snoeren levert met Wordfeud minimaal 9 en maximaal 79 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. N 1
  3. O 1
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 9 zonder bonus
  9. 79 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

snoeren telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

snoeren in het kort

snoeren is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van snoeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort snoeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

snoeren: iets met een snoer vastmaken
Deel snoeren — standaardnederlands.nl