sleutel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsløtəlBetekenis
- een instrument waarmee een slot geopend of gesloten kan worden
- een stuk gereedschap om bouten en moeren mee aan te draaien
- een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
- een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(-schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
- een aandeel of functie die in een groep van groot belang is
Hoe spreek je sleutel uit?
/ˈsløtəl/
Sleutel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sleutels | meervoud |
| sleuteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sleuteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleutelen
- gebiedende wijs van sleutelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sleutelen
Vervoeging van sleutel
sleutelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘werktuig om slot te openen of te sluiten’ voor het eerst aangetroffen in 1240.
Woordfamilie van sleutel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sleutels | meervoud | sleutel |
| sleuteltje | verkleinwoord | sleutel |
| sleuteltjes | verkleinwoord meervoud | sleutel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sleutel zijn vastgelegd.