shoppen
werkwoordBetekenis
- winkelen
- bij verscheidene zaken langs gaan om het aanbod te vergelijken
Vervoeging van shoppen
shoppenhele werkwoord — shopteverleden tijd enkelvoud — shoptenverleden tijd meervoud — geshoptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | shop | shopte |
| jij | shopt | shopte |
| hij, zij, het | shopt | shopte |
| wij | shoppen | shopten |
| jullie | shoppen | shopten |
| zij | shoppen | shopten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geshopt | verleden tijd, deelwoord |
| geshopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geshopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geshopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geshopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geshopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geshopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geshopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geshopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geshopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geshopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geshopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| shop | gebiedende wijs |
| shoppe | aanvoegende wijs |
| shoppend | onvoltooid, deelwoord |
| shopte | verleden tijd |
| te hebben geshopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te shoppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen shoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geshopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen shoppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geshopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult shoppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bij winkels of zaken langsgaan en het aanbod vergelijken’ voor het eerst aangetroffen in 1925
Woordfamilie van shoppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geshopt | voltooid deelwoord | shoppen |
| shoppe | aanvoegende wijs | shoppen |
| shoppend | onvoltooid deelwoord | shoppen |
| shoppende | woordvorm | shoppen |
| shopt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | shoppen |
| shopte | verleden tijd | shoppen |
| shopten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | shoppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shoppen zijn vastgelegd.