rijkdom
zelfstandig naamwoord /ˈrɛik.dɔm/Betekenis
- het bezitten van veel geld en goud
- het bezitten van andere waarden zoals geluk
- gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
- overvloed
Hoe spreek je rijkdom uit?
/ˈrɛikdɔm/
Rijkdom bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| d | dak |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijkdommen | meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands rijcdoem en Oudnederlands rikduom. In de betekenis van ‘het rijk-zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van rijkdom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijkdommen | meervoud | rijkdom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijkdom zijn vastgelegd.