pij
zelfstandig naamwoord pɛiBetekenis
- habijt, lange kleding gedragen door monniken
Hoe spreek je pij uit?
/pɛi/
Pij bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛi | trein |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijen | meervoud |
| pijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘kledingstuk van grove wollen stof (tegenwoordig vooral van monniken)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481
Woordfamilie van pij
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijen | meervoud | pij |
| pijtje | verkleinwoord | pij |
| pijtjes | verkleinwoord meervoud | pij |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pij zijn vastgelegd.