partijtrekken
werkwoordBetekenis
- ~ voor: een bepaalde partij bevoordelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van partijtrekken
partijtrekkenhele werkwoord — trok partijverleden tijd enkelvoud — trokken partijverleden tijd meervoud — partijgetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek partij | trok partij |
| jij | trekt partij | trok partij |
| hij, zij, het | trekt partij | trok partij |
| wij | trekken partij | trokken partij |
| jullie | trekken partij | trokken partij |
| zij | trekken partij | trokken partij |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is partijgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was partijgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd partijgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt partijgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal partijgetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal partijgetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou partijgetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou partijgetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt partijgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben partijgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft partijgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| partij te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| partij te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| partij zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| partij zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| partij zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| partij zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| partij zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| partij zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| partij zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| partijgetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| partijgetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| partijgetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| partijtrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| partijtrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| partijtrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| partijtrok | bijzin, verleden tijd |
| partijtrokken | bijzin, verleden tijd |
| partijtrokt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben partijgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen partijtrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek partij | gebiedende wijs |
| trok partij | verleden tijd |
| zal partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal partijtrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zou partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou partijtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) partijtrekken partij zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden partijtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt partijgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt partijtrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen partijtrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen partijtrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult partijgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult partijtrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult partijtrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal partijtrekken partij zult/zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van partij en trekken
Woordfamilie van partijtrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| partijgetrokken | voltooid deelwoord | partijtrekken |
| partijtrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | partijtrekken |
| partijtrekke | with-subordinate-clause | partijtrekken |
| partijtrekkend | onvoltooid deelwoord | partijtrekken |
| partijtrekkende | woordvorm | partijtrekken |
| partijtrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | partijtrekken |
| partijtrok | subordinate-clause, verleden tijd | partijtrekken |
| partijtrokken | subordinate-clause, verleden tijd | partijtrekken |
| trek partij | gebiedende wijs | partijtrekken |
| trekke partij | woordvorm | partijtrekken |
| trekken partij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | partijtrekken |
| trekt partij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | partijtrekken |
| trok partij | verleden tijd | partijtrekken |
| trokken partij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | partijtrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van partijtrekken zijn vastgelegd.