piepen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpipə(n)Betekenis
- een hoog geluid voortbrengen dat niet erg hard klinkt
- onverwacht korte tijd tevoorschijn komen (al dan niet gepaard gaand met een piepgeluid)
- stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
- slapen
Hoe spreek je piepen uit?
/ˈpipən/
Piepen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van piepen
piepenhele werkwoord — piepteverleden tijd enkelvoud — pieptenverleden tijd meervoud — gepieptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | piep | piepte |
| jij | piept | piepte |
| hij, zij, het | piept | piepte |
| wij | piepen | piepten |
| jullie | piepen | piepten |
| zij | piepen | piepten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepiept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepiept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepiept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepiept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepiept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepiept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepiept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepiept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepiept | verleden tijd, deelwoord |
| gepiept te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepiept te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepiept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiept te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiept te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiept worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepiept zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepiept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepiept zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepiept zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepiept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepiept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepiept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepiept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| piep | gebiedende wijs |
| piepe | aanvoegende wijs |
| piepend | onvoltooid, deelwoord |
| piepte | verleden tijd |
| te hebben gepiept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te piepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen piepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepiept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepiept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepiept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepiept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepiept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepiept | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepiept | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepiept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepiept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepiept zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt piepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen piepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepiept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepiept worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepiept zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult piepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord piep
Herkomst
In de betekenis van ‘hoog geluid geven’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van piepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepiept | voltooid deelwoord | piepen |
| gepiepte | woordvorm | piepen |
| piepe | aanvoegende wijs | piepen |
| piept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | piepen |
| piepte | verleden tijd | piepen |
| piepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | piepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piepen zijn vastgelegd.