mandag
zelfstandig naamwoord ˈmɑndɑxBetekenis
- hoeveelheid werk die één persoon op één werkdag kan verzetten, eenheid om de omvang van werkzaamheden in uit te drukken
- maandag
Hoe spreek je mandag uit?
/ˈmɑndɑx/
Mandag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mandagen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van man zn en dag zn
Woordfamilie van mandag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mandagen | meervoud | mandag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mandag zijn vastgelegd.