manna
zelfstandig naamwoord ˈmɑnaBetekenis
- voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het Hebreeuwse woord is 'man'; dat kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20; ook 3× in NT)
- pluim-es of manna-es
Hoe spreek je manna uit?
/ˈmɑna/
Manna bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- Fraxinus ornus pluim-es of manna-es
- iets dat men gratis, zonder inspanning heeft gekregen figuratively
Herkomst
via Middelnederlands manna, laat Latijn manna en Oudgrieks μάννα (mánna) van Hebreeuws מָן zn (man), in de betekenis van ‘hemels voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1285